Faillissementswetgeving is medebepalend bij herstel economieën van COVID-19

© Pixabay

Nederlandse banken zijn nog goed gekapitaliseerd om mogelijke verliezen bij een stijging van het aantal faillissementen door COVID-19 op te vangen. Mogelijke risico’s spelen voornamelijk in andere Europese landen. Zo zijn er grote verschillen binnen Europa in hoe sterk de bankensector gekapitaliseerd is. Ook verschillen in faillissementswetgeving, die afwikkelingsprocedures in sommige landen langer laat duren dan bijvoorbeeld in Nederland, gaan een rol spelen.

Dat concludeert het Centraal Planbureau in de jaarlijkse Risicorapportage Financiële Markten die op 25 mei is gepubliceerd. Op verzoek van de Tweede Kamer brengt het CPB jaarlijks de belangrijkste risico’s voor het financiële stelsel in kaart. Dit jaar ligt de focus op de risico’s die door de COVID-19-pandemie zijn veroorzaakt of versterkt.

Bedrijven en banken
Het Nederlandse financiële stelsel is vooralsnog stabiel genoeg om de gevolgen van de coronacrisis op te vangen. Mede door de goede uitgangspositie van voor de crisis en dankzij het steunbeleid van de overheid zijn de risico’s beperkt. Een aantal bedrijfssectoren is weliswaar zwaar geraakt door de coronacrisis, maar tegelijkertijd heeft een deel van het bedrijfsleven de omzet juist zien toenemen. Van veel bedrijven is volgens de meest recente beschikbare informatie de solvabiliteitspositie nog op peil, al verschilt dit sterk per sector. De steunpakketten van de overheid hebben faillissementen weten te voorkomen, waardoor eventuele spillovers naar de bankensector zijn uitgebleven. Een stresstest van het Nederlandse bankwezen laat bovendien zien, dat de kernkapitaalratio’s maar een zeer lichte daling naar 15,6% ervaren. In andere Europese landen ziet dat er anders uit. Zo hebben Spaanse banken gemiddeld een 4%-punt lagere kernkapitaalratio dan Nederlandse banken.

Faillissementen
Ook het herstel van Europese economieën kan verschillend verlopen. Een belangrijke factor is het grote verschil in faillissementswetgeving, aldus het CPB. In bijvoorbeeld Ierland duurt het gemiddeld minder dan een half jaar om leningen terug te vorderen van een failliet middelgroot bedrijf, in Griekenland loopt dat op tot drieënhalf jaar. Ook het percentage van de totale lening dat wordt teruggewonnen bij de afwikkeling van een failliet bedrijf verschilt van tussen de 20 en 40% in Griekenland, Bulgarije en Roemenië, tot 90% in Nederland. Het herstel van bankenbalansen is waarschijnlijk trager in landen met inefficiënte procedures.

Overheidsschulden
De Nederlandse overheidsschuld is als gevolg van de steunpakketten sterk gestegen, net als in heel Europa, maar het risico op een nieuwe eurocrisis is lager dan in 2012. Het risico wordt onder andere gedempt door het inzetten van een Europees herstelfonds van 750 miljard euro. De voornaamste risico’s liggen bij Zuid-Europese landen die al hoge overheidsschulden hadden vóór de coronacrisis, vooral als de rentes op staatsobligaties snel gaan stijgen en daardoor de terugbetaalcapaciteit van overheden onder druk komt te staan. Ook een toenemend aantal faillissementen kan de overheidsschulden verder doen stijgen, door bijvoorbeeld het niet terugbetalen van leningen en het niet betalen van (uitgestelde) belastingverplichtingen. Daarentegen kan afbouw van steunmaatregelen een positieve uitwerking op de overheidsschuld hebben.

Andere risico’s
Naast de risico’s die door COVID-19 zijn ontstaan, zijn een aantal gevaren van vóór de pandemie nog steeds actueel. Zoals de zoektocht naar rendement op de kapitaalmarkten, gedreven door de lage rente, en mede veroorzaakt door structurele factoren en het ruime monetaire beleid. Allereerst lijkt een grote hoeveelheid (spaar)geld zowel op aandelenmarkten als op obligatiemarkten terecht te zijn gekomen. Bij een mogelijke prijscorrectie leidt dit tot verliezen bij beleggers. Daarnaast zet de lage rente de solvabiliteitspositie van verzekeraars en pensioenfondsen verder onder druk. Ook waarschuwt het CPB voor de groei van het aantal niet-bancaire financiële intermediairs (NBFI’s). Onder de NBFI’s vallen onder andere vermogensbeheerders, geldmarktfondsen, hedgefondsen en peer-to-peer lenders (waaronder crowdfundingplatforms). Als gevolg van de sterke regulering van de bankensector neemt het aantal NBFI’s gestaag toe. Zij staan onder een minder streng toezichtregime dan banken. Maar door hun rol in de effectenhandel en verwevenheid met andere instellingen brengen zij wel systeemrisico’s met zich mee.

Ten slotte wijst het CPB op de toenemende cyberrisico’s. Door steeds verdergaande digitalisering van het financiële systeem en het massale thuiswerken zijn bedreigingen voor de cyberveiligheid nog groter geworden.

Bron: CPB

 

 

GEEN REACTIES