Rabobank als tussenpersoon vier keer in het gelijk gesteld

Kifid lost ruim helft klachten op via bemiddeling en schikking

Vier consumenten klagen dat ze onvoldoende zijn geïnformeerd en geadviseerd door de Rabobank bij het aangaan en tijdens de looptijd van hun beleggingsverzekering. De Geschillencommissie van het Kifid oordeelt anders.

De vier consumenten hebben ieder door middel van advisering en bemiddeling van de Rabobank als verzekeringstussenpersoon een beleggingsverzekering afgesloten. Het gaat in deze klachtzaken om het zogenoemde Cumulent Belastingvrij Kapitaal Plan, het Cumulent Totaal Plan en de OpMaat Verzekering. In deze beleggingsverzekeringen vindt kapitaalopbouw plaats op basis van beleggen. Daarnaast is het risico van overlijden voor de einddatum van de verzekering meeverzekerd. Inmiddels hebben twee beleggingsverzekeringen op de einddatum geleid tot uitkering en twee beleggingsverzekeringen zijn voortijdig afgekocht.

Meerderjarig
Alle betrokken consumenten vinden dat de bank hen onvoldoende heeft geïnformeerd bij het aangaan en/of gedurende de looptijd van de beleggingsverzekeringen. Ook vinden ze dat de bank geen passend advies heeft gegeven bij het afsluiten en gedurende de looptijd van de verzekeringen. Ze vorderen bedragen tussen de €11.000 tot €86.000.

Een aantal feiten waarover geklaagd wordt, is niet meer te achterhalen. Zo koos de consument in een van de zaken zelf in 2000 een offensieve en in 2004 voor een defensieve strategie. Volgens hem was daarbij sprake geweest van een ‘dwingend advies’ van de bank, maar dat kan door de Geschillencommissie niet worden vastgesteld.

Andere feiten betreffen omissies van de bank, die volgens het Kifid echter geen verschil hebben gemaakt voor het verloop van de zaak. Zoals het uitblijven van contact op momenten dat de polis misschien aanpassing had behoeven: “De Commissie heeft niet kunnen vaststellen dat Consument is uitgenodigd door de Bank voor een adviesgesprek toen zij meerderjarig werd. Dat had wel moeten gebeuren. Het is echter niet aannemelijk dat Consument de Verzekering zou hebben gewijzigd als er wel een gesprek zou hebben plaatsgevonden. Zij heeft dus geen schade geleden door het uitblijven van een gesprek.”

De Geschillencommissie stelt dat de betrokken consumenten allemaal vooraf of bij het afsluiten van de beleggingsverzekering productinformatie hebben ontvangen, zoals een aanvraagformulier, een polis en de voorwaarden. Op grond van deze productinformatie hadden consumenten kunnen en moeten weten dat zij een beleggingsverzekering afsloten en dat daaraan een beleggingsrisico was verbonden.

Ook is er geen sprake van schending van de zorgplicht. De bank heeft, voor zover van toepassing, de consumenten geïnformeerd over belangrijke veranderingen in wet- en regelgeving. Verder hebben de consumenten jaarlijks waardeoverzichten ontvangen van de verzekeraar.

Beleggingsmix aangepast
De Geschillencommissie concludeert dat de bank evenmin tekortgeschoten is in de advisering. Twee consumenten zijn gedurende de looptijd door de bank uitgenodigd voor een gesprek om na te gaan of de verzekering nog passend was. De betrokken consumenten hebben hier geen gebruik van gemaakt. Eventuele negatieve gevolgen zijn dan voor rekening van betrokken consument. Dat geldt ook voor de keuze van een consument om gedurende de looptijd de beleggingsmix aan te passen. De gevolgen hiervan, zowel positief als negatief, komen in principe voor rekening van de consument.

In alle vier de uitspraken oordeelt de Geschillencommissie dat de bank als verzekeringstussenpersoon heeft gedaan wat van hem verwacht mag worden. Voor vergoeding van enige schade aan de consument bestaat geen grond. Alle uitspraken, GC 2020-230, GC 2020-231 en GC 2020-251 en GC 2020-261, zijn bindend.

Bron: Kifid

GEEN REACTIES