Mark Veenstra: ‘Orde prediken, chaos bewaren’

De Rotterdamse Schaal is een wonderlijk fenomeen. Ze is niet wettelijk verankerd, niet bindend en geen tariefstelsel, maar rechters gebruiken haar en in deelgeschillen vormt zij het vertrekpunt. Als het gaat om smartengeld, werkt de schaal als norm. En toch zijn er partijen die haar hardnekkig weigeren toe te passen. Laat ik ze maar bij naam noemen: verzekeraars. Dat wringt. Zeker nu de directeur van het Verbond van Verzekeraars op het recente PIV-symposium pleitte voor “meer normering in de schaderegeling”. Hiervan zien we in de dagelijkse praktijk aan de onderhandelingstafel weinig terug. Daar blijkt “meer normering” ineens een rekbaar begrip.
De Rotterdamse Schaal
De Rotterdamse Schaal is overzichtelijk, transparant en — laten we eerlijk zijn — bijna genormeerd. Categorieën, bandbreedtes, vaste wegingsfactoren. Geen nattevingerwerk, geen poëzie. Precies wat je zou verwachten van een sector die zegt behoefte te hebben aan voorspelbaarheid en uniformiteit. De rechtspraak heeft dat ook begrepen. Niet voor niets is vanuit De Rechtspraak expliciet geadviseerd de Rotterdamse Schaal als normatief kader te gebruiken. En dat zie je terug in de praktijk: in deelgeschillen wordt de schaal toegepast. Soms letterlijk, soms met een nuance of correctie — maar altijd als uitgangspunt. Afwijken mag, negeren niet. En wie afwijkt, moet motiveren. Het gevolg is voorspelbaar. Zaken waarin verzekeraars weigeren de schaal te gebruiken,
zullen niet zelden alsnog eindigen bij de rechter, die vervolgens… de Rotterdamse Schaal toepast. Verrassing: nul.
Waarom dan toch dat verzet?
Het antwoord is minder juridisch dan strategisch. Normering is prachtig, zolang die norm niet structureel hoger uitvalt dan het bedrag dat men zelf in gedachten had. De Rotterdamse Schaal vergroot de voorspelbaarheid, maar verlegt ook het anker. Zeker bij ernstig of blijvend letsel — en helemaal bij jonge slachtoffers — wordt het ongemakkelijk. Dan is “maatwerk” ineens een deugd en “rigide richtlijnen” een probleem. Daar komt bij dat veel zaken nooit een deelgeschil halen. De drempel is reëel: kosten, tijd, stress. Zolang de schaal niet formeel wordt erkend, blijft er onderhandelingsruimte. Diffuus, asymmetrisch en — laten we het beestje bij de naam noemen — vaak in het voordeel van degene met de meeste dossiers en de grootste adem. En zo ontstaat de paradox: collectief pleiten verzekeraars voor normering, individueel houden ze haar buiten de deur. Institutioneel klinkt het vooruitstrevend, operationeel blijft het stilletjes bij het oude. Meer normering, ja graag — maar bij voorkeur normering die men zelf ontwerpt, beheerst en doseert.
Ongemakkelijke spiegel
De Rotterdamse Schaal is daarmee een ongemakkelijke spiegel. Ze laat zien dat de rechtspraak allang verder is dan het debat suggereert. De norm is er al. Niet wettelijk, maar wel functioneel. Niet dwingend, maar onontkoombaar. Wie haar blijft weigeren, vecht niet tegen willekeur, maar tegen voorspelbaarheid. En dat maakt het pleidooi voor “meer normering” op symposia iets te gemakkelijk. Of, om het wat minder diplomatiek te zeggen: het is lastig geloofwaardig pleiten voor orde, terwijl je aan tafel liever de chaos bewaart.
Mark Veenstra
Mark Veenstra is Register Expert Personenschade en oprichter van Hulp na Ongeval. Sinds 1992 is hij specialist in letselschade, met focus op herstelgerichte schaderegeling, juridische ondersteuning en praktische hulp voor slachtoffers en nabestaanden na een ongeval. Hij is aangesloten bij NIVRE en NIS en lid van de brancheorganisatie NLE (Nederlandse Letselschade Experts).
Deel dit bericht, kies uw platform!

Rene Graafsma















