Mark Veenstra: ‘De spijker op zijn kop?

Er zit iets merkwaardigs in de huidige discussie over de fietshelm. Terwijl neurologen en traumachirurgen niet ophouden te waarschuwen voor de gevolgen van een klap tegen het hoofd, klinkt elders een heel ander geluid. Niet zelden uit de hoek van verzekeraars, waar medisch adviseurs bij gebrek aan zichtbare afwijkingen concluderen dat er eigenlijk weinig aan de hand kan zijn. Dat is raar. En niet een beetje. Wie de recente berichtgeving in de media volgt, ziet een duidelijke lijn. Het aantal fietsongevallen neemt toe, net als het aantal gevallen van hersenletsel. Spoedeisende hulpen zien dagelijks de gevolgen van ogenschijnlijk ‘lichte’ valpartijen. De roep om het dragen van een fietshelm klinkt steeds luider. Niet vanuit betutteling, maar vanuit ervaring. Vanuit de wetenschap dat een klap op het hoofd zelden zo onschuldig is als hij lijkt.
Wetenschap
De wetenschap is daar de afgelopen jaren ook steeds explicieter over geworden. Licht traumatisch hersenletsel — in de volksmond: een hersenschudding — is allang geen tijdelijk fenomeen meer. Waar vroeger werd gesproken over een paar dagen rust en daarna weer doorgaan, weten we inmiddels dat een aanzienlijk deel van de mensen langdurige klachten ontwikkelt. Concentratieproblemen, geheugenstoornissen, vermoeidheid, overprikkeling, stemmingsklachten. Klachten die moeilijk te objectiveren zijn, maar die het dagelijks functioneren ingrijpend kunnen beperken. En daar zit precies de kern van het probleem. Want in de medische praktijk is inmiddels breed geaccepteerd dat het ontbreken van afwijkingen op beeldvormend onderzoek — een CT-scan of MRI — niet betekent dat er geen schade is. Integendeel. Bij licht traumatisch hersenletsel zijn dergelijke scans in de meeste gevallen volledig normaal. De schade zit niet in grote, zichtbare afwijkingen, maar in subtiele verstoringen van hersenfuncties. Netwerken die anders gaan werken, prikkelverwerking die ontregeld raakt, cognitieve belasting die niet meer verwerkt kan worden zoals voorheen.
Frictie
Met andere woorden: je kunt ernstig beperkt zijn, zonder dat je dat op een scan terugziet. Tegen die achtergrond is het op zijn minst opmerkelijk dat in letselschadeprocedures nog zo vaak wordt vastgehouden aan een andere redenering. Een redenering die in de kern neerkomt op: geen afwijkingen = geen (blijvende) schade. Een redenering die begrijpelijk is vanuit juridisch perspectief — bewijsbaarheid, objectiviteit, causaliteit — maar die steeds verder af komt te staan van de (medische) realiteit. Dit spanningsveld wordt zelden expliciet benoemd, maar is in de praktijk voortdurend aanwezig. Aan de ene kant de behandelend sector, die klachten serieus neemt en erkent dat herstel grillig en langdurig kan zijn. Aan de andere kant de beoordelende context, waarin klachten langs een meetlat van objectiveerbaarheid worden gelegd die juist bij dit type letsel tekortschiet. Dat leidt tot frictie. En soms tot iets wat daar verdacht veel op lijkt: systematische reductie van klachten tot iets wat ze niet zijn.
Inconsistente kaders
Laat dat duidelijk zijn: medisch adviseurs opereren binnen een kader. Zij zijn geen behandelaars, maar beoordelaars. Hun taak is niet om te zorgen, maar om te wegen. En in dat wegen speelt het ontbreken van objectieve afwijkingen een grote rol. Dat is niet per definitie onredelijk — maar het wordt problematisch wanneer het wordt gepresenteerd als medische waarheid, in plaats van als een juridische of verzekeringsgeneeskundige interpretatie. De medische wetenschap is op dit punt simpelweg verder. De recente aandacht voor de fietshelm onderstreept dat. Het is geen toevallige discussie. Het is het gevolg van een groeiend besef dat hersenletsel vaak begint waar het oog niets ziet. Dat de impact van een val niet alleen zit in wat direct zichtbaar is, maar juist in wat zich daarna ontwikkelt. Dat preventie niet gaat over het voorkomen van zichtbare schade, maar over het voorkomen van schade die zich moeilijk laat aantonen — en juist daarom zo hardnekkig kan zijn. Dat besef zou ook door moeten werken in de manier waarop we naar letselschade kijken. Want als we enerzijds erkennen dat een ogenschijnlijk lichte klap op het hoofd serieuze en blijvende gevolgen kan hebben, kunnen we anderzijds moeilijk volhouden dat het ontbreken van zichtbare afwijkingen reden is om die gevolgen terzijde te schuiven. Dan ontstaat er een inconsistentie die niet alleen juridisch, maar ook maatschappelijk wringt.
Echte kennis
Het is precies daar waar de vraag zich opdringt: wat doen we met kennis die ons niet goed uitkomt? Blijven we vasthouden aan een systeem dat vraagt om bewijs dat in dit soort gevallen vaak niet geleverd kan worden? Of durven we te erkennen dat de werkelijkheid complexer is, en dat ons beoordelingskader daar misschien nog niet volledig op is ingericht? Voor belangenbehartigers ligt hier een duidelijke en, eerlijk gezegd, onvermijdelijke opdracht. In dit spanningsveld tussen medische realiteit en juridische bewijsbaarheid komt het aan op scherpte, dossieropbouw en inhoudelijke kennis. Op het vermogen om door te vragen waar anderen stoppen. Om te duiden waar anderen reduceren. Om zichtbaar te maken wat zich niet eenvoudig laat zien. Dat vraagt iets. Kennis, vasthoudendheid en het vermogen om tegen de stroom in te blijven redeneren wanneer dat nodig is. Want uiteindelijk gaat het niet om de vraag of iets zichtbaar is, maar om de vraag of het er is. In dit soort zaken is het voor de belangenbehartiger zaak om het hoofd erbij te houden.
Mark Veenstra
Mark Veenstra is Register Expert Personenschade en oprichter van Hulp na Ongeval. Sinds 1992 is hij specialist in letselschade, met focus op herstelgerichte schaderegeling, juridische ondersteuning en praktische hulp voor slachtoffers en nabestaanden na een ongeval. Hij is aangesloten bij NIVRE en NIS en lid van de brancheorganisatie NLE (Nederlandse Letselschade Experts).
Deel dit bericht, kies uw platform!

Rene Graafsma















