Assurantiemuseum 23-04-1989 : Vie d’Or de wacht aangezegd

v.l.n.r. Gerard van Santen en Frans Maes, de directie van verzekeraar Vie d’Or

Onderstaand een kopie van de originele fax die ik op 23 maart 1990 verzond aan de directie van Vie d’Or:
Datum : 23 maart 1990
Van: Lugt Sobbe & Co. / H.B. van Ommen
Voor: Vie d’Or  t.a.v. de heer Frans Maes

Geachte heer Maes, beste Frans,

Ik kom hierbij terug op ons gesprek van hedenmorgen.
Omdat ik wil voorkomen dat er enig misverstand kan bestaan omtrent de
problemen die ik aan jou heb voorgelegd, resumeer ik graag het volgende:

Naar mijn stellig overtuiging blijkt uit de door ons ontvangen kwintetpolissen
niet dat er een korting op de uitkering Aus$ wordt toegepast indien de cliënt
niet de vervolgpremies van minimaal  F. 1.000,- blijft voldoen.

Weliswaar is er een circulaire bij sommige polissen gevoegd waaruit blijkt
dat er kosten in rekening worden gebracht (ook indien geen vervolgpremies
worden voldaan) maar dat is alleen van kracht bij beleggingen anders dan in Aus$.

Bij Aus$ dus geen vermelding van kosten-factoren.

Zoals ik het zie, moet Vie d’Or dus in alle gevallen de gegarandeerde uitkering
verrichten die in de polis m.b.t. Aus $ is vermeld.

Zoals je al zei, zou dat leiden tot een veel te hoge last voor de Vie d’Or en dat is dan ook de reden dat ik WEDEROM AAN DE BEL GA HANGEN.

Jij verwijst dan weliswaar naar de tekst die in de polis moet staan onder “spaarsaldo”:
“De opgegeven waarde wordt door de maatschappij gegarandeerd onder aanname dat de vervolgpremies in guldens worden belegd, dat het op het polisblad vermelde premie
ongewijzigd blijft en er nog geen opnamen hebben plaatsgevonden.”
Maar die tekst kon ik niet vinden in betreffende polissen.
Wij troffen slechts één polis aan waarin die clausule wel staat, maar die polis moeten wij retourneren aan Vie d’Or omdat het daarin genoemde rendement niet zou kloppen
(te hoog)

Als e.e.a. blijft zoals het thans is, zal Vie d’Or niet alleen dat hogere rendement moeten uitkeren aan de polishouders van Kwintetpolissen, naar tevens aan de Aus$ koopsompolis afsluiters.
Ik zie niet in waarom de ene verzekerde een hogere uitkering zou moeten incasseren dan de andere.
Als jullie vertegenwoordiger/gevolmachtigde kan ik ook niet anders verdedigen.

En dat is nu weer precies waartegen ik indertijd in december heb gewaarschuwd.

Voorts:
Ik ben van mening dat de circulaire met de kosten-vermeldingen ingebonden zou moeten worden in de originele polis. Zolang dat niet het geval is, kan Vie d’Or zich in de toekomst nergens op beroepen.

kwintetpolis

En dan nog dit :
Er zijn kwintetpolissen met een Aus$ belegging t.a.v. de eerste premie, met een duur van 20 jaar of meer.In die gevallen is de kolom:
Niet of slechts gedeeltelijk ingevuld.
Met name als er niets is ingevuld, blijkt nergens (in de polis) of de polis op de einddatum iets zal uitkeren en zo ja, wat…
Weliswaar is bij de polis een circulaire aangeleverd waarin het rendement per beleggingsjaar is opgegeven in pro mille Aus$, maar m.i. blijkt uit de polis alleen maar dat de cliënt NIETS krijgt op de einddatum.
Ik weet ook wel dat dat jullie bedoeling niet is, naar het feit is nu eenmaal zo en niet anders.

TOT SLOT
Wij zijn door diverse agenten benaderd die klagen over het feit dat er premiebetalingsplicht is vermeld in de kwintetpolis.
Daarvan is in eerder stadium niets gebleken bij Reyersen van Buuren.
Ook hiervoor hebben wij jullie gewaarschuwd.
Zo vertelde Vlieg Assurantiemakelaars dat er van de 80 kwintetten die zij via Reyersen van Buuren hebben afgesloten, niet minder dan 30 zijn waarvan reeds vaststaat dat de cliënt niet van plan is om in de toekomst nog premies te voldoen aan Vie d’Or.

Men blijkt in sommige gevallen eveneens contact te hebben met Vie d’Or rechtstreeks.
Wij stellen tegenover deze agenten dat wij op de hoogte zijn van de problematiek en dat Vie d’Or noch Lugt Sobbe verantwoordelijk zijn voor activiteiten van tussenpersonen die het serieuze vak van assurantieadviseur niet zo nauw nemen.

Het feit dat men een premiebetalende polis ontvangt, terwijl men onder valse voorwendselen een koopsompolis werd aanbevolen, heeft tot gevolg dat men alleen maar een negatieve indruk kan krijgen van deze jonge dynamische nieuwe verzekeraar.

Als over enige jaren blijkt dat men knollen voor citroenen heeft gekocht (het gegarandeerde rendement blijkt niet gegarandeerd te zijn (vanwege de kosten die jaarlijks ten laste van het spaarsaldo worden gebracht). Ja zelfs een polis met een lager rendement
dan op basis van een gewone koopsompolis, dan is niet alleen Vie d’Or verdacht, maar ook ons zou (en zeer terecht) verweten kunnen worden dat wij willens en wetens verzwegen hebben welke trukendoos de kwintetpolis feitelijk is.

DE HELE KWESTIE IS EEN GROTE SCHANDE
Niet zonder reden heb ik ter bescherming van Vie d’Or en ter bescherming van Lugt Sobbe op 25 december 1989 (kerstdag) Dick Hussaarts (journalist) Financiële Telegraaf verzocht om met spoed aandacht aan dit onderwerp te schenken. Omdat jij niet bereikbaar was en omdat Jan Bonder stelde tegenover Dick Hussaarts dat er geen enkele verkeerde voorstelling van zaken was m.b.t. de kwintetpolis, heb ik Dick Hussaarts moeten verzoeken om de kwestie tot nader order te laten rusten.
Op mijn dringende verzoek laat hij die zaak nog steeds rusten omdat de directie van Vie d’Or mij heeft verzekerd dat mijn veronderstellingen onjuist waren.

Ik heb in eerdere berichten al gesteld dat wij ONDER GEEN BEDING (nu niet en ook niet in de toekomst) verantwoordelijk willen zijn (of gehouden worden) t.a.v. de o.i. volksverlakkerij die door Reyersen van Buuren onder aanvoering van Jan Bonder is gepleegd.
Nog afgezien van het feit dat – zoals ik in het verleden reeds stelde en zoals Jan Bonder eveneens stelde en blijft stellen – de zgn. koopsompolissen van de kwintet beter renderen dan de echter koopsompolissen, is het nu dus ook een bewezen feit dat talloze assurantie-tussenpersonen en cliënten/consumenten zich belazerd voelen: belazerd zijn.

Diep bedroevend is het om dan ook nog te moeten constateren dat dit heft geleid tot volstrekt oneerlijke concurrentiestrijd tussen de gevolmachtigde Lugt Sobbe en het kantoor Reyersen van Buuren.

Ik wens jullie sterkte met het nemen van de noodzakelijke beslissingen en ik zou graag van jullie willen vernemen wat er nu eindelijk wordt ondernomen om de bovenstaande problemen op te lossen.


Lugt Sobbe heeft vervolgens pertinent geweigerd mee te werken aan de opmaak van kwintetpolissen. Dat moest Vie d’Or dus zelf maar oplossen.
Vanwege het uitblijven van verantwoord beleid heb ik de SER op 15 maart 1991 verzocht onze volmacht van Vie d’Or door te halen. Kopie van brief aan SER

Dit signaal is voor toezichthouder SER geen aanleiding geweest om informeren op welke grond wij per direct (= datum brief) doorhaling van de volmacht eisten.

Een gevolmachtigde kan een volmacht niet beëindigen
De SER heeft ons vervolgens gemeld dat een volmacht niet kan worden doorgehaald door de gevolmachtigde. Zij zou de directie van Vie d’Or verzoeken om de volmacht in te trekken.
En zo geschiedde.
Op 27 maart 1991 bevestigde de SER ons dat N.V. Levensverzekering Maatschappij
Vie d’Or inmiddels aan de SER heeft gemeld dat de aan ons eerder verleende volmacht was ingetrokken.
Kopie van brief SER

Tekst afkomstig uit het :
RAPPORT VAN DE TIJDELIJKE COMMISSIE TOEZICHT VERZEKERINGSKAMER
LINK
In november 1993 berichtte de pers over problemen bij de levensverzekeringsmaatschappij Vie d’Or. Dit trok ook de aandacht van de politiek. Vanuit de Tweede Kamer werden door de leden Vermeend en Van der Vaart schriftelijke vragen gesteld over deze maatschappij en over het toezicht zoals dat werd uitgeoefend door de Verzekeringskamer. De vaste commissie voor Financiën voerde vervolgens schriftelijk en mondeling overleg met de minister van Financiën1. Ten einde een beter inzicht te verkrijgen in het functioneren van het toezicht door de Verzekeringskamer op verzekeringsmaatschappijen, sprak de vaste commissie voor Financiën in haar vergadering van 10 maart 1994 de wens uit de Algemene Rekenkamer te verzoeken een onderzoek in te stellen. De algemene commissie voor de Rijksuitgaven adviseerde positief, waarna de Tweede Kamer op 14 april 1994 instemde met het voorstel de Algemene Rekenkamer te verzoeken onderzoek te doen ter beantwoording van drie vragen, te weten:

– Was het toezichtbeleid van de Verzekeringskamer in overeenstemming met de ter zake geldende wettelijke regelingen?

– Hoe werkte dit toezichtbeleid in het bijzonder ten aanzien van de sector levensverzekeringsbedrijven?

– Hoe was de uitvoering ten aanzien van Vie d’Or gedurende de periode 1985 – 1993?

etc. etc.

GEEN REACTIES