DEEL 9 : Eerste termijn minister Hoekstra

bron: Rijksoverheid

verzekeraars
Vervolg op : DEEL 8 : Woordvoerder Paternotte (D66)

De voorzitter:
“Ik hervat de vergadering. De minister gaat de Kamer beantwoorden in eerste termijn. Aan u het woord.”

Minister Hoekstra :

De heer Paternotte verwees al naar de periode lang, lang geleden dat we voor het eerst dit onderwerp via een richtlijn aan de hand hebben gehad. Heel terecht zei hij ook hoeveel en hoezeer de wereld sindsdien is veranderd. Hij deed dat beeldender dan ik, maar ik onderschrijf dat zeer. De richtlijn van vandaag heeft drie doelen.”
Gelijk speelveld voor alle marktpartijen
“In de eerste plaats een gelijk speelveld voor alle marktpartijen die bij de verkoop van verzekeringen betrokken zijn. Om een gelijk speelveld te bereiken gelden de regels niet alleen voor bemiddelaars of adviseurs, maar ook voor verzekeraars zelf. “
Verbetering consumentenbescherming
“Ten tweede het verbeteren van de bescherming van consumenten; een doel dat ons allemaal, denk ik, ook zeer aanspreekt. Om de consumentenbescherming te verbeteren worden de gedragsregels aangescherpt.”

Je zou mogen zeggen dat de richtlijn in zekere zin ook een inhaalslag doet, want voor Nederland zijn veel van deze regels eigenlijk niet nieuw. Die staan al in de Wet op het financieel toezicht. Ik heb die wet gister nog weer eens op m’n bureau gehad, en dat is een behoorlijk dik boekwerk geworden. Zo bestaan er in Nederland nu ook al regels over de vakbekwaamheid van de adviseurs en over het geven van informatie aan de consument over de mate van onafhankelijkheid van het advies. Ook het productontwikkelingsproces voor verzekeraars kennen we al langer in Nederland. Misschien dat ik ook wel zou mogen concluderen dat nut en noodzaak van de richtlijn op zichzelf op grote instemming kunnen rekenen in de Kamer. In dezelfde mate geldt dat denk ik voor de brief die ik heb geschreven over de effectiviteit van het provisieverbod. De vragen gingen eigenlijk veel meer over wat er nou nog anders zou kunnen of nog bij zou moeten. Zo heb ik het in ieder geval geïnterpreteerd.”

Minister Hoekstra vervolgt zijn beantwoording : 
“Ik zou onderscheid willen maken tussen drie categorieën.”

  1. Provisietransparantie bij schadeverzekeringen
    “De heer Nijboer heeft ernaar gevraagd, mevrouw Leijten, de heer Ronnes, en een aantal anderen ook nog. “
  2. De adviesplicht
    “Het tweede punt waar ook mevrouw Leijten weer in het bijzonder naar heeft gevraagd, is de adviesplicht.”
  3. Overige, vrij technische vragen
    “Dan is er nog een derde categorie met een groot aantal overige en soms ook vrij technische vragen die ik zou willen beantwoorden.”

Allereerst de provisietransparantie.
“Hoe sta ik tegenover actieve provisietransparantie bij schade? Daar is het zaak om toch even te kijken naar wat hier nou voorligt.
Dit wetsvoorstel implementeert namelijk uitsluitend de Richtlijn verzekeringsdistributie.
Actieve provisietransparantie maakt geen onderdeel uit van die richtlijn. Er zou dan sprake zijn van een nationale kop.
Daar zijn velen in dit huis al geen voorstander van. Het regeerakkoord is daar ook expliciet over. Dus dat is niet wenselijk. Maar er is denk ik een belangrijke maar hier te maken. Een nationale kop wil ik niet doen — daarmee preludeer ik ook al op een eventueel amendement — maar ik ben wel bereid, omdat ik het inhoudelijke punt van de Kamer zeer goed zie, om in overleg te treden met de diverse stakeholders, de consumentenorganisaties ook die daar genoemd zijn, om de voor- en nadelen van die actieve transparantie van provisies bij schadeverzekeringen in kaart te brengen.
Sowieso is er nog een gesprek te voeren, zoals ik ook in mijn brief heb aangekondigd, over de evaluatie van het provisieverbod, dus ik ga dat sowieso doen.
Mijn voorstel zou zijn om dit specifieke punt daar ook in mee te nemen en uw Kamer daar voor de zomer over te informeren. Ik zou het dus echt nadrukkelijk willen loskoppelen van deze richtlijn, maar wel willen bezien of op een andere manier, maar wellicht ook in wetgeving, daar ook nog wat op zou moeten gebeuren.”
Mevrouw Leijten (SP):
“Ik heb het vanochtend ook gezegd of misschien heb ik het net gezegd; we hebben vandaag heel veel debatten gehad, voorzitter. Dat de minister in gesprek gaat met het veld is natuurlijk prima, maar we hebben nu een toezichthouder, de AFM, die daarvoor pleit. We hebben consumentenorganisaties die daarvoor pleiten. We kunnen nu zeggen dat we het gaan bekijken en een nieuwe wet gaan maken. Dan weten we dat we aan een traject van anderhalf jaar vastzitten, terwijl we het ook vandaag via een amendement in de wet kunnen regelen. Je kunt via deze wet namelijk de Wet op het financieel toezicht wijzigen. Wat zou erop tegen zijn om dat sneller te doen?”

Minister Hoekstra:
“Ik had zelf de indruk dat het een handreiking was. Ik zal in het midden laten of mevrouw Leijten nog meer wil of dat mijn aanbod per definitie veel te mager was. Kijk, gewoon echt even heel specifiek: het gaat hier om een richtlijn. Die implementeren wij in Nederland altijd vrij sec. Dat is ook de traditie in dit huis. Bovendien wil deze coalitie ook liever geen nationale koppen omdat dat het leven vaak ingewikkeld maakt. Tegelijkertijd zie ik duidelijk de wens die leeft in de Kamer. Ik kan mij daar zelf ook wat bij voorstellen. Mevrouw Leijten heeft gelijk dat sommige veldpartijen zich daar ook al expliciet over hebben uitgelaten. Toch zou ik juist daarom niet willen kiezen voor de route van een amendement en van het nu in één keer in de wet regelen, maar wel voor iets langer daarop studeren. Dan is de implementatietijd misschien wat langer, maar dan doen we het wel netjes en weten we ook echt waar we ja of nee tegen zeggen.”

Mevrouw Leijten (SP):
“Maar dan is het vooral een inhoudelijke beoordeling, want met de implementatie van deze richtlijn kiezen we nou eenmaal wel voor een kop. We zijn daar ook trots op. Dat is het provisieverbod. Dat zit er nu in. Dit is iets minder dan een provisieverbod. Ik heb zelf namelijk de analyse gemaakt dat dat minder haalbaar was omdat moties van het CDA en de SP daarover in het verleden niet op een meerderheid konden rekenen. Je zou ook nog kunnen zeggen dat je via zo’n amendement regelt dat het wat later in werking treedt, zodat je het altijd nog bij kan schaven. Als je het nu bij wet kan regelen, vind ik het een beetje een lang traject om te zeggen: misschien komt er in de toekomst wel een nieuwe wet.”

Minister Hoekstra:
“Voor mij voelt het als een royale toezegging.
Ik ga nog even heel specifiek de andere vragen over het provisieverbod langs. De heer Snels vroeg in dezelfde richting: is het een goed idee? Volgens mij heb ik daar antwoord op gegeven. De heer Nijboer vroeg heel specifiek naar de transparantie van vergelijkingssites. Een site die adviseert of bemiddelt, dient de cliënt natuurlijk te informeren over de wijze waarop de vergelijkingssite wordt beloont. Vergelijkingssites die niet bemiddelen of adviseren en dus niet vallen onder de Wft maar wel zijn aangesloten bij het Keurmerk Objectief Vergelijken, dienen op hun website te vermelden wat hun verdienmodel is en wat de gemiddelde ontvangen provisie per productgroep is.”

“Daarmee ben ik meteen bij het volgende blokje. Dat gaat over de adviesplicht.”

De heer Nijboer (PvdA):
“Dat zou veronderstellen dat wij allemaal weten hoe het zit. Ik zal het maar bij mezelf houden; misschien weet de minister het wel heel precies. Hoe verdient Independer dan zijn geld en hoeveel is dat dan op een verzekering of een hypotheek? Als het allemaal zo transparant is, dan kan ik daar zo antwoord op krijgen.”

Minister Hoekstra:
“Nee, ik heb geprobeerd te schetsen hoe de regels in elkaar zitten. Ik heb niet geprobeerd te doen alsof ik uit mijn hoofd weet hoe het op ieder van die websites staat. Maar volgens mij heb ik het antwoord op de vraag van de heer Nijboer wel gegeven.”

De heer Nijboer (PvdA):
“Dan is eigenlijk het antwoord van de minister: wat u wilt, is eigenlijk al geregeld. Dan is mijn probleem: waarom handhaaft u niet en waarom weten mensen dat niet? Of waarom is het zo onzichtbaar of in-transparant of ziet niemand het? Want ik zou toch zeggen: als ik klik op een verzekering, dan wil ik weten of er 10% of 5% provisie op zit of een vast bedrag of weet ik veel wat. Dat zou wat mij betreft de uitvoering moeten zijn van wat in de wet staat, zoals de minister zojuist heeft uitgelegd. Dan zou mijn oproep zijn: maak dat de huidige wet ook uitgevoerd wordt.”

Minister Hoekstra:
“Laat ik kijken of ik nog wat verstandigs kan zeggen over de uitvoering in de tweede termijn, want ik weet niet of ik de voorbeelden direct allemaal paraat heb.”

2) Het Advies
“Voorzitter. Ik ga naar het tweede blokje, dat gaat over advies. Mevrouw Leijten vroeg: waarom is er geen gebruikgemaakt van de lidstaat optie om verplicht advies voor te schrijven bij verzekeringen met een beleggingscomponent? Dat is wat mij betreft echt een andere categorie dan de eerste categorie, waarover ik het in grote mate met de Kamer eens ben qua intuïtie, als ik het zo mag formuleren. Bij de lidstaat optie voor verplicht advies heb je een belangenafweging te maken tussen wat je alle consumenten wel of niet wilt aandoen.”

“Wij denken dat het belangrijk is dat de cliënt de keuze heeft om al dan niet advies in te winnen. Waarom vinden we dat belangrijk? Als je dat advies verplicht maakt voor iedereen, dan zal dat leiden tot hogere kosten voor alle consumenten. De precieze kosten zijn natuurlijk afhankelijk van de complexiteit. De advieskosten bij overlijdensrisicoverzekeringen bedragen typisch een euro of 400. Maar bij complexere verzekeringen, zoals een arbeidsongeschiktheidsverzekering, ligt het gemiddelde — dus niet de piek — al rond de €700. Ik begrijp heel goed wat mevrouw Leijten beoogt, maar ik zou daar heel duidelijk tegenover willen stellen dat als je dat alle cliënten opdringt, dat ook grote kosten met zich meebrengt. Nederland kent geen adviesplicht, maar als een klant zonder advies een verzekering met een beleggingscomponent of een arbeidsongeschiktheidsverzekering wil afsluiten, dan zijn er wel verplichtingen. Dan moet de financiële dienstverlener vaststellen of de verzekering en de dienstverlening passend zijn voor de cliënt.”

Mevrouw Leijten (SP):
Ik begrijp heel goed wat de minister zegt. Het gaat er niet om dat je mensen op kosten wilt jagen. Het gaat erom dat mensen die zich bij een verzekeringsagent melden voor een verzekering waar zo’n beleggingsonderdeel in zit, zich goed moeten realiseren welke risico’s daaraan vastzitten. Wanneer het toch weer zo wordt dat de ene hand de andere voedt omdat die verzekeringsagent natuurlijk ook gewoon wil verkopen, dan kun je toch weer in de problemen komen. Ik ben nu bijna een jaar financieel woordvoerder, maar als ik langs zie komen waarmee mensen het schip in zijn gegaan en de jarenlange ellende die dat betekent, zoals woekerpolissen en rentederivaten — die hele opsomming hebben we vanochtend ook al langs horen komen — dan wil ik dat toch weghalen. Nu is het aan de financieel adviseur om zich ervan te vergewissen of iemand advies nodig heeft en of iemand het al dan niet kan inschatten. Dat vind ik toch te tricky.”

Minister Hoekstra:
“Maar het is wel kiezen tussen twee kwaden, als ik het zo mag zeggen. Ik denk dat we allemaal de problematiek zien die mevrouw Leijten schetst. De financiële dienstverlener moet vaststellen wat passend is voor de cliënt. Ik interpreteer de woorden van mevrouw Leijten zo dat zij dit toch arbitrair vindt. Dan komt misschien ook het eigenbelang om de hoek te kijken. Zo zei ze het niet, maar ik denk dat ze het zo bedoelt. Dat zou in sommige gevallen kunnen voorkomen; laat ik het voorzichtig formuleren. Ik denk dat ze daar gelijk in heeft. Maar het alternatief vinden wij nog minder aantrekkelijk, hoezeer we ook die problematiek zien. Het alternatief is dat je zegt: iedereen moet altijd gebruikmaken van advies. Dus bij elk van die verzekeringen gaat iedereen een paar honderd euro, en soms veel meer, zelfs richting de €1.000, aan advieskosten betalen. Het eerste probleem corrigeren door hogere kosten is, zo denken wij, niet de juiste afweging.”

De voorzitter:
“Tot slot een korte opmerking van Mevrouw Leijten.”

Mevrouw Leijten (SP):
“Het kan bijvoorbeeld gaan om een arbeidsongeschiktheidsverzekering voor mensen die dat echt nodig hebben omdat ze niet werken via een vast contract, zoals een boer of een zelfstandige zonder personeel. Die verzekeringen zijn vaak al heel erg duur, maar als een consument dan ook nog eens een kat in de zak koopt, met een verzekering die eigenlijk niks waard blijkt op het moment dat hij die nodig heeft, dan zou ik toch willen dat we meer in handen hebben om die consument te beschermen. Zijn er andere wegen om dat te kunnen doen?”

Minister Hoekstra:
“Misschien kan ik nog iets verder specificeren wat er nu moet gebeuren. De financiële dienstverlener beoordeelt of de klant over voldoende kennis en ervaring beschikt, juist om te begrijpen of er risico’s zijn. Dat weet mevrouw Leijten ook. Die klant moet gewaarschuwd worden als hij over onvoldoende kennis en ervaring beschikt om de risico’s te kunnen inschatten.”

“Het is bovendien zo dat de AFM er toezicht op houdt of partijen dat daadwerkelijk in de praktijk brengen. Als mevrouw Leijten mij dan vraagt of dat systeem waterdicht is, zeg ik natuurlijk in alle eerlijkheid: nee. Het zal ongetwijfeld zo zijn dat af en toe iemand daar de dupe van wordt. Tegelijkertijd vind ik die combinatie van waarborgen, de plicht die we aan partijen opleggen in combinatie met de check van de AFM en de risico’s voor de reputatie als men dat niet naleeft, behoorlijk solide. Niet perfect, niet waterdicht, maar wel behoorlijk solide. Zeker als ik dat moet afwegen tegen het alternatief, namelijk iedereen heel forse bedragen laten betalen. Want dat zal mevrouw Leijten met mij eens zijn: je vraagt nogal wat van mensen als zij met zo’n verzekering, zelfs als ze denken dat ze goed geïnformeerd  zijn, €400, €500, €600 en soms tot boven de €1.000 aan kosten moeten maken.”

“De volgende vraag is gesteld door mevrouw Leijten, de heer Ronnes en de heer Paternotte. Wat is eigenlijk onafhankelijk advies? Want dat is hier natuurlijk wel relevant. Het is goed om te memoreren dat het begrip “onafhankelijk advies” niet in de Wft voorkomt, of in ieder geval in deze context niet wordt gebruikt, maar wel het begrip “objectieve analyse”. Een adviseur dient een cliënt erover te informeren of hij al dan niet adviseert op basis van een objectieve analyse. Op deze manier maakt de adviseur richting de klant zijn onafhankelijkheid duidelijk. Een objectieve analyse betekent vervolgens dat de adviseur een analyse maakt van meer dan 50% van in de markt verkrijgbare vergelijkbare verzekeringen. Er is dus niet snel sprake van een objectieve analyse en dus ook niet van een onafhankelijk advies als slechts een vergelijking wordt gemaakt tussen twee of drie verzekeringen.”

“Het is toch wel een interessante vraag of die 50% goed genoeg is. Volgens mij ging met name de heer Paternotte die richting uit. Ik wil hem toezeggen dat we bij de evaluatie, die we toch al gaan doen, bekijken of het verstandig zou zijn om dat percentage verder op te schroeven. Ook daarbij moet je twee dingen wegen, die ik ook nog wel even wil schetsen. Je kunt dat percentage verhogen, maar hoe hoog wordt dat dan? Is het realistisch om naar 60% of 70% te gaan? Ik zeg dat, omdat de heer Paternotte 100% noemde. Ik denk dat dat wel weer behoorlijk hoog is. Je moet je ook afvragen hoe hoog de kosten zijn die gemaakt worden, die uiteindelijk neerslaan bij de klant, als je van 50% een heel eind omhoog wilt. Dus met die twee kanttekeningen, die volgens mij dan ook onderdeel moeten zijn van de vragen, zou ik het willen laten onderzoeken.”

“Dan ben ik bij een groot aantal meer technische vragen van een groot aantal leden aanbeland. De heer Ronnes vroeg of ik de huidige vrijstelling van bemiddelaars in hagelschadeverzekeringen, vee- en paardenverzekeringen kan handhaven. Volgens mij vroeg de heer Paternotte iets soortgelijks, maar dan over glasverzekeringen. De reden voor vrijstelling van deze bemiddelaars was dat het personen zijn die naast hun vaak agrarische werkzaamheden hagelschadeverzekeringen, vee- en paardenverzekeringen of glasverzekeringen aanbieden. Algemene assurantiekennis werd voor deze verzekeringen van ondergeschikt belang gevonden. Handhaven van een volledige vrijstelling is niet mogelijk vanwege de Richtlijn verzekeringsdistributie. Daar stuiten we dus gewoon op de grenzen van de richtlijn. Wel is het zo dat op dit moment de vrijstellingsregeling Wft wordt geconsulteerd. Die consultatietermijn loopt overigens morgen af en naar aanleiding van de consultatiereacties zal ik bezien welke mogelijkheden er zijn voor een verlicht regime voor dit type bemiddelaars. Er zal dan bijvoorbeeld ook gekeken worden of verzekeraars een rol kunnen vervullen om de vakbekwaamheid van juist deze bemiddelaars te waarborgen, want die ruimte laat de richtlijn wel.”

Voorzitter.
De VVD vroeg — als ik het zo mag interpreteren — naar het zelfredzaam maken van consumenten ten aanzien van verzekeringen. De heer Van der Linde vroeg heel specifiek of er een rol is voor Nibud, Wijzer in geldzaken en andere maatschappelijke organisaties om verzekeringen begrijpelijk te maken en de zelfredzaamheid te vergroten. Hij slaat daarmee de spijker op zijn kop: Wijzer in geldzaken is er ook precies met dat doel. Ik meen dat Wijzer in geldzaken later dit jaar het tienjarig bestaan viert. In Wijzer in geldzaken bundelen de minister van Financiën, de partners in de financiële sector, de wetenschap en de maatschappelijke organisaties, waaronder ook het Nibud, al hun krachten om financieel verantwoord gedrag in Nederland te vergroten.”

Minister Hoekstra:
“Dat geldt in het bijzonder ten aanzien van verzekeringen. Ik denk dat dat een zeer terechte vraag is. Het is overigens geen probleem dat Wijzer in geldzaken alleen kan oplossen, maar ik denk dat het wel goed is om te noteren dat we het op dat punt in Nederland over het algemeen echt een stuk beter doen dan veel andere landen.”
“Dan vroeg de heer Snels: kunnen financiële dienstverleners vanuit andere landen nou minder betrouwbaar zijn? Hij gebruikte net iets andere taal, geloof ik, maar zo heb ik zijn vraag in ieder geval geïnterpreteerd. Dit is ook een vraag waarop wij wel even moesten studeren. Als zij in Nederland bemiddelen, dan moeten zij ook in Nederland een vergunning aanvragen. Ze moeten aan alle vergunningseisen voldoen, en ze moeten hier een bijkantoor hebben. Er is dan ook geen verschil meer met Nederlandse bemiddelaars. Bemiddelaars met een zetel in een andere lidstaat hoeven hier geen bijkantoor te vestigen, maar moeten wel aan de minimumeisen van de richtlijn voldoen.”

De voorzitter:
De heer Snels heeft nog een vraag voor u.”

De heer Snels (GroenLinks):
“Het gaat er dus uiteindelijk om dat er verschillen zijn met bemiddelaars die hier een zetel hebben maar een hoofdkantoor in een ander land. Kunnen die verschillen heel groot zijn? Dan gaat het over betrouwbaarheid, vakbekwaamheid en organisatorische vereisten. Dan mogen die buitenlandse bemiddelaars voldoen aan de minimumvereisten vanuit een ander land. Kunnen die verschillen heel groot zijn?”

Minister Hoekstra:
“Dat is een goede vraag. Ik denk dat de bodem die gelegd wordt met de richtlijn echt wel zorgt voor een bepaalde minimumstandaard aan kwaliteit. Tegelijkertijd zou ik me niet willen wagen aan een alomvattende garantie dat dat ook meteen betekent dat al die adviseurs in al die lidstaten precies doen wat die richtlijn vraagt. Volgens mij is dat ook niet noodzakelijkerwijs nodig. Het is nodig dat we kijken wat die partijen doen die voldoen aan het signalement waar de heer Snels naar verwijst, en of de Nederlandse consument daardoor niet in de problemen komt. Als dat zo zou zijn, is het natuurlijk aan de AFM om dat te signaleren en daartegen op te treden. Maar ik heb geen signalen dat dat het geval is. We moesten dit echt even uitzoeken.”

De heer Snels (GroenLinks):
“Nee, maar deze richtlijn wordt nu in wetgeving omgezet. Dat kan ten eerste iets betekenen voor het speelveld …”

Minister Hoekstra:
“Ja, zeker.”

De heer Snels (GroenLinks):
… want er ontstaat toch een ongelijk speelveld op de Nederlandse markt. Dat is eigenlijk gek, vanuit de Europese regelgeving bezien. De tweede vraag die ik daarbij stelde, was of het ook transparant gemaakt kan worden.”

Minister Hoekstra:
Ja. Dat zijn twee verschillende vragen, die ik toch uit elkaar zou willen rafelen. De heer Snels vraagt in de eerste vraag eigenlijk naar een hypothetische situatie die zich wellicht nog zou kunnen voordoen. Het is niet het onderwerp waar ik me de grootste zorgen over maak, zelfs niet binnen de context van dit dossier. Maar kan ik met honderd procent zekerheid zeggen dat dat niet zal gebeuren? Nee, dat kan ik niet. Het zou mij niet verbazen als ook deze wet op enig moment weer geëvalueerd wordt. Dat lijkt mij dan ook een uitgelezen moment om dit mee te nemen, ook omdat ik vermoed dat, als het probleem waar de heer Snels op wijst zich zou gaan voordoen, dat niet in het eerste halfjaar zal zijn.”

“Het tweede punt is zijn vraag over transparantie. Daar zou sneller een antwoord op moeten kunnen komen. Ik zou eigenlijk de periode tot de zomer en de evaluatie willen gebruiken om nog even te kijken wat daar de voor- en nadelen zijn. Ik weet niet of we ons daar al te veel van voor moeten stellen, maar ik begrijp dat de heer Snels eigenlijk zegt: je zou ergens op die website moeten kunnen vinden of je met een nationale of een internationale partij te maken hebt, direct dan wel indirect. Dat is mijn interpretatie. Dat vind ik geen gekke gedachte, maar ik wil daar wel even wat tijd en ruimte voor kopen.”

“Dan vroeg de heer Paternotte nog of de verzekeringskaart die Nederland al kende kan blijven bestaan. Daarop is het antwoord ja. Er zijn geen problemen bij beperkte aanpassingen.”

“De heer Paternotte vroeg mij helemaal ten slotte of ik erop wil letten dat ik ook op tijd met richtlijnen kom bij zowel de Tweede als de Eerste Kamer. Zo heb ik het in ieder geval geïnterpreteerd. Ik zou hem graag willen toezeggen dat ik mij niet alleen vanaf het begin, maar zeker vanaf nu, na deze vingerwijzing, altijd zal inzetten voor tijdige implementatie en dus tijdige behandeling.”

De voorzitter:
“Dank u wel. Ik denk dat u daarmee aan het eind bent gekomen van de beantwoording van de vragen van de Kamer. Ik kijk naar de leden om te zien of er behoefte is aan een tweede termijn. De heer Van der Linde schudt nee, maar ik zie ook leden ja knikken. Mevrouw Leijten geeft aan dat zij even de tijd wil om aan een motie te werken. Dan schorsen we een enkel ogenblik om de Kamer de gelegenheid te geven om haar moties voor te bereiden.”

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Voor het vervolg zie:
DEEL 10: Amendement Transparante Beloning

www.findinet.nl/newsletter/
Klik op de banner en ontvang de wekelijkse Nieuwsbrief van Findinet op proef.

GEEN REACTIES